Woningcorporaties spannen zich al vele jaren in om een wildgroei aan het straatbeeld ontsierende schotelantennes te voorkomen. Eind jaren ’80 had de Hoge Raad al te oordelen over een antenneverbod van een woningbouwvereniging. De meeste woningbouwverenigingen, zeker in steden, hebben een schotelantennebeleid ontwikkeld en bepalingen in de huurcontracten opgenomen waarin het plaatsen van schotelantennes aan meer of minder strenge voorwaarden wordt gebonden. Die voorwaarden zijn veelal van technische, esthetische en overlast beperkende aard.

Bij de totstandkoming van het op 1 augustus 2003 in werking getreden nieuwe huurrecht kreeg de schotelantenne op het laatste moment nog bijzondere aandacht: Artikel 7:215 lid 6 BW werd bij novelle aangevuld met de zogenaamde tenzij-regel. Het artikel bevat regels over de bevoegdheid van de huurder om “de inrichting of gedaante van het gehuurde” geheel of gedeeltelijk te veranderen. Lid 6 van dit artikel luidt: “6. Van de voorgaande leden kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken, tenzij het de buitenzijde van de gehuurde woonruimte betreft.” De regeling in artikel 7:215 BW is derhalve van semi-dwingend recht maar niet met betrekking tot de buitenzijde van gehuurde woonruimte. De tenzij-regel is met name ten behoeve van woningcorporaties opgenomen die daardoor voor veranderingen aan de buitenzijde van de woning, ofwel voor het plaatsen van bijvoorbeeld een schotelantenne, in de huurcontracten de door hen gewenste regeling kunnen opnemen.

Met betrekking tot het mogen plaatsen van een schotelantenne speelt het in artikel 10 EVRM geregelde fundamentele recht op informatiegaring een belangrijke rol. Blijkens lid 2 van dat artikel kan er op dat fundamentele recht echter ook een uitzondering worden gemaakt. Bij het beoordelen van de vraag of zo’n inbreuk gerechtvaardigd is, dienen de belangen van de woningcorporatie en de huurder tegen elkaar te worden afgewogen. Richtinggevend in dit verband is een uitspraak van het Europese Hof van 16 december 2008 waarbij de afweging in het voordeel van de huurder uitviel. De volgende factoren werden daarbij meegewogen:

  • het grote belang van de schotelantenne voor de huurder om contact te houden met zijn geboorteland
  • het ontbreken van mogelijkheden om bepaalde programma’s op andere wijze te ontvangen
  • het ontbreken van veiligheidsrisico’s als gevolg van de schotelantenne
  • de omstandigheid dat de huurder woonde in een flatgebouw zonder bijzondere esthetische aspiraties
  • de ernstige negatieve gevolgen die de weigering om de schotelantenne te verwijderen, voor de huurder had (namelijk dat hij moest vertrekken uit zijn flat waarin hij al meer dan zes jaar woonde en dat hij naar een andere stad moest verhuizen met voor hem nadelige praktische, economische en sociale consequenties)

Na deze uitspraak van het Europese Hof is de nodige lagere rechtspraak gepubliceerd waarin de belangen van huurder en verhuurder, veelal een woningcorporatie, tegen elkaar werden afgewogen aan de hand van de uitspraak van het Europese Hof van 16 december 2008.

In een arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2013 gaat het echter niet alleen over artikel 10 EVRM maar ook over artikel 28 en 49 EG-Verdrag, welke bepalingen zien op het vrije verkeer van goederen en diensten. De Hoge Raad komt aan een inhoudelijke beoordeling van de betekenis van deze bepalingen uit het EG-Verdrag voor de schotelantenne-problematiek niet toe omdat het gerechtshof te Arnhem in het bestreden arrest niet had gerespondeerd op het beroep van de huurder op artikel 56 VWEU (voorheen artikel 49 van het EG-Verdrag). Op grond daarvan werd de uitspraak van het Hof Arnhem door de Hoge Raad vernietigd en werd de zaak verwezen naar het Hof ’s Hertogenbosch om het beroep op artikel 56 VWEU alsnog inhoudelijk te beoordelen.

Opmerkelijk is dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in zijn advies had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Hij geeft een uiteenzetting over artikel 56 VWEU dat het vrij verkeer van diensten waarborgt en is van oordeel dat het Hof terecht niet van toepasselijkheid van artikel 56 VWEU in deze zaak is uitgegaan en dat, alhoewel het Hof niet met zoveel woorden heeft overwogen dat en waarom artikel 56 VWEU in deze zaak toepassing mist, de motiveringklacht daartegen geen doel treft omdat die klacht niet tot een ander (rechts)oordeel kan leiden.

Dat oordeel van de advocaat-generaal is dus echter niet door de Hoge Raad overgenomen. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door geen kenbare overweging te wijden aan de als essentieel aan te merken stelling dat het beroep van de huurder mede gebaseerd was op artikel 56 VWEU.

Ik ben benieuwd naar het oordeel van het Hof Den Bosch over de vraag of artikel 56 VWEU hier van toepassing is en zo ja, of hier een inbreuk op het vrij verkeer van diensten gerechtvaardigd is.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met mij. Ook kunt u hieronder een reactie achterlaten.