Op 1 februari jl. heeft de Minister van Financiën een besluit tot onteigening van effecten en vermogensbestanddelen van SNS REAAL N.V. en SNS Bank N.V. genomen. Dit besluit is gebaseerd op de bevoegdheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen ten aanzien van financiële ondernemingen, indien de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel ernstig en onmiddellijk in gevaar komt door de situatie waarin een onderneming zich bevindt. Deze bevoegdheid werd in 2012 met de zogenoemde Interventiewet in de Wet op het financieel toezicht opgenomen.

Tegen het onteigeningsbesluit zijn meer dan 700 beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, op welke beroepen de Afdeling op 25 februari jl. uitspraak heeft gedaan. De Afdeling laat het besluit grotendeels in stand, met uitzondering van het onderdeel van het besluit dat zag op toekomstige vorderingen op SNS. Een aantal overwegingen uit de uitspraak wordt hieronder besproken. Daarbij kan worden aangetekend dat de Afdeling – vanuit een algemeen bestuursrechtelijk oogpunt – in een aantal overwegingen nogal kort door de bocht lijkt te zijn gegaan.

Recht op een eerlijk proces

De termijn om beroep in te stellen tegen een onteigeningsbesluit is met tien dagen uitzonderlijk kort te noemen. Daarenboven diende de Afdeling op de veertiende dag na de indiening van het laatste beroepschrift uitspraak te doen. De avond voor de zitting diende de Minister van Financiën nog een verweerschrift in van 105 pagina’s. De Afdeling accepteerde dit stuk echter wel. Een aantal appellanten voerde aan dat de korte termijnen, en daarmee de korte voorbereidingstijd, in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces. De Afdeling overweegt dat het onteigeningsbesluit een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel beoogt af te wenden. Dat doel wordt volgens de Afdeling niet bereikt zolang onzeker is of het onteigeningsbesluit in stand blijft, zodat de korte termijnen en de werkwijze van de Afdeling een rechtmatig doel dienen. De Afdeling acht voorts van belang dat appellanten hun standpunt zowel schriftelijk als mondeling naar voren hebben kunnen brengen.

Relativiteitsvereiste

Enkele appellanten hebben betoogd dat het onteigeningsbesluit een staatssteunmaatregel inhoudt die niet mag worden uitgevoerd voordat de Europese Commissie deze heeft goedgekeurd. Ook is aangevoerd dat het onteigeningsbesluit een concentratie van ondernemingen tot stand brengt, nu de Staat reeds eigenaar is van ABN AMRO. De Afdeling gaat niet in op deze beide beroepsgronden, nu niet is voldaan aan het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit vereiste geldt vanaf 1 januari 2013 in het algemene bestuursrecht en houdt in dat de bestuursrechter beroepsgronden buiten beschouwing laat, indien de geschonden norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De Afdeling oordeelt dat rechtsregels over staatssteun en concentratiecontrole niet strekken tot bescherming van de belangen van de onteigende partijen.

Geheime rapporten

De Minister van Financiën had de Afdeling verzocht om te bepalen dat slechts de Afdeling kennis mocht nemen van rapporten waarin de vastgoedportefeuille van SNS werd gewaardeerd. De Afdeling oordeelde echter dat een deel van de rapporten aan alle appellanten moest worden verstrekt. Na kennisneming van dat deel van de rapporten overwoog de Afdeling dat de minister van de in die rapporten neergelegde waardering van de vastgoedportefeuille mocht uitgaan.

Een interessante verwikkeling is dat sommige appellanten wel toestemming hadden gegeven aan de Afdeling om op grondslag van de niet openbaargemaakte delen van de rapporten uitspraak te doen, en andere appellanten niet. De wet voorziet naar het oordeel van de Afdeling niet in een regeling voor een dergelijke situatie. De Afdeling heeft echter, in dit uitzonderlijke geval en met oog op een volledige rechtmatigheidstoetsing van het onteigeningsbesluit, alsnog kennisgenomen van de volledige rapporten.

Schadeloosstelling

Ten aanzien van de procedure inzake de schadeloosstelling kan worden opgemerkt dat de hoogte van de schadeloosstelling niet wordt vastgesteld door de Afdeling, maar door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Het was eerst aan de Minister van Financiën om – binnen zeven dagen na de uitspraak van de Afdeling – een aanbod tot schadeloosstelling te doen. Dit aanbod heeft de minister op 4 maart jl gedaan. De minister stelt dat een faillissement zonder onteigening onafwendbaar zou zijn geweest, en dat de uitkering bij een faillissement nihil zou zijn geweest. Om deze reden overweegt de minister dat de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen nihil is. Het is nu aan de Ondernemingskamer om de schadeloosstelling vast te stellen overeenkomstig het aanbod van de minister, tenzij zij aannemelijk acht dat het aanbod geen volledige vergoeding vormt voor de door betrokkene geleden schade.

Heeft u vragen? Neem dan contact op met Stefan van de Sande of plaats een reactie hieronder.