De vooroverlegfase

Een aanvraag, bijvoorbeeld een aanvraag om een bouwvergunning, gaat soms vooraf door een of meer verkennende gesprekken met ambtenaren van een gemeente. In deze gesprekken kunnen bijvoorbeeld de haalbaarheid van het bouwplan of de inpasbaarheid in het bestemmingsplan daarvan aan de orde komen. Het komt voor dat gemeenten achteraf aansprakelijk worden gesteld vanwege beweerdelijk onjuiste of onvolledige informatieverstrekking in deze fase. Hierbij valt te denken aan de situatie dat in het vooroverleg positief wordt gereageerd op het plan, maar in een later stadium alsnog een afwijzende beslissing op de daadwerkelijke aanvraag volgt. Recente jurisprudentie bevestigt dat voor aansprakelijkheid van de gemeente voor onjuiste of onvolledige informatieverstrekking in deze fase niet snel plaats is.

Het beoordelingskader

Het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN BW0219) vormt het beoordelingskader bij de vraag of een gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven en of een gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Volgens de Hoge Raad hangt het antwoord op die vraag af van de omstandigheden van het geval. Hieronder vallen enerzijds de inhoud van het verzoek om informatie en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen en anderzijds de aard en inhoud van de verstrekte informatie en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Indien later blijkt dat de verstrekte inlichtingen onjuist of onvolledig waren levert dit alleen een onrechtmatige daad van de gemeente op, indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven. Van belang is derhalve of een belanghebbende aan de verstrekte informatie het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat deze juist en volledig was.

Onjuiste of onvolledige inlichtingen in de vooroverlegfase

Toegepast op het scenario dat onjuiste of onvolledige inlichtingen in de vooroverlegfase zijn verstrekt, levert de vraag naar het gerechtvaardigde vertrouwen het volgende beeld op. Allereerst is van belang van wie de verstrekte informatie afkomstig is. In de vooroverlegfase is veelal niet het bevoegd gezag de afzender, maar een of meer voor de gemeente werkzame ambtenaren. Echter ook los daarvan geldt dat het karakter van de vooroverlegfase met zich brengt dat niet snel sprake is van aansprakelijkheid van de gemeente voor informatieverstrekking in dit stadium van de besluitvorming. Eerder oordeelde de rechtbank Zutphen (LJN AO5354) over de voorloverlegfase dat deze niet tot doel heeft de beslissing op een na afloop van die fase in te dienen bouwaanvraag in feite tot een formaliteit terug te brengen. De vooroverlegfase strekt ertoe om een indicatie te verkrijgen over de haalbaarheid van een bouwplan. Niet meer en niet minder, aldus de rechtbank. Deze lijn wordt bevestigd in een recente uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (C09/ 417231 / HA ZA 12-488; niet gepubliceerd), waarin de overwegingen van de rechtbank Zutphen worden herhaald.

Conclusie

Dit betekent dat de aanvrager van een bouwaanvraag aan uitlatingen gedaan in de vooroverlegfase niet snel het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat deze juist en volledig waren. Derhalve zal het handelen van een gemeente – mocht de verstrekte informatie in een later stadium onjuist of onvolledig blijken te zijn – niet snel als onrechtmatig te kwalificeren zijn. Mitsdien zal een gemeente evenmin snel aansprakelijk zijn voor uit de onjuiste of onvolledige informatie voortvloeiende schade. De potentiële aanvrager dient zich bewust te zijn van het feit dat een volledige en gedetailleerde toetsing van een bouwplan niet eerder plaatsvindt dan nadat daadwerkelijk een aanvraag daartoe is ingediend.

Mocht u naar aanleiding van dit blogartikel nog vragen hebben, neemt u dan gerust contact op met Annet de Rooij. Of plaats een reactie hieronder.